Don Bosco leefde van 1815 tot 1888. Hij was een eenvoudige priester die zich in Turijn (dat ligt in Italië) het lot aantrok van verwaarloosde straatkinderen en jongeren.

Hij zorgde dat deze kinderen onderdak hadden en onderwijs kregen. In hun vrije tijd leerde hij de kinderen/jongeren vaardigheden aan zoals tuinieren, huizen bouwen, circus activiteiten en goocheltrucs. Op deze manier werkte hij aan het zelfvertrouwen van de jeugd.

Don Bosco bezat de gave om snel contact te krijgen en er ontstond snel een vertrouwensrelatie. Hij was hartelijk en vrolijk. Hij speelde met de kinderen en zorgde dat de kinderen bij hem een thuis hadden.

Samengevat:

Don Bosco hanteerde een preventieve aanpak die erop gericht was om jongeren tot hun recht te laten komen. Zijn familiaire en speelse aanpak bood veiligheid en deed het zelfvertrouwen groeien.

In 1934 werd Don Bosco heilig verklaard en tot beschermpatroon van de jeugd uitgeroepen.

Naar aanleiding van dit verhaal kozen de oprichters van Don Bosco Roosendaal (1945) voor de naam “Don Bosco”.